De tijd in de rijken der zon en der maan

Geplaatst door Toon Michiels op 28 februari 2012

Uit: ’’De Horlogemaker’’ 1884

Hoewel de tijdmeters waarover we zullen spreken nu juist geen aanspraak op volstrekte nauwkeurigheid kunnen maken en op gevaar af  ’t verwijt tot ons te horen komen, dat ze niet naar berichten van ’t geen hier volgt over uit ,,La Loupendeb L’Horloger’’, een klein zeer humoristisch jaarboekje, ’t welk zeker zeer velen heeft teleurgesteld door niet langer te verschijnen.

Een Chineesch landman, die horloge noch klok bezit vraagt de tijd aan een natuurlijken tijdwijzer,dien men nooit zou raden: het is het oog van zijn kat. Hij neemt dit beest, kijkt naar zijn oogappel en oordeelt naar den graad van verwijding dien deze vertoont hoe laat het is, zoo al niet bij nacht dan toch van af den dageraad tot de avondschemering. Iedereen weet dat de oogappel der dieren,

De kat van Jean Wilmar!

De kat van Jean Wilmar!

die tot het kattengeslacht behooren, zich over dag samentrekt en wanneer het donker wordt weer verwijdt; maar het schijnt dat deze samentrekking en verwijdijng zoo nauwkeurig met de uren van den dag overeenstemmen, dat een geoefend oog er den tijd zeer juist naar weet te bepalen. Des morgens is de oogappel ovaal, na den geheelen nacht rond geweest te zijn ; van den morgen tot den middag trekt hij zijn diameter meer en meer samen totdat hij de gedaante van een eenvoudig lijntje aanneemt en van den middag tot den avond herneemt hij onmerkbaar en langsaam den ovalen vorm.

Dit herinnert ons aan de beschrijving van een maanuurwerk, niet minder wonderlijk,waarvan Cyrano de Bergerac spreekt in zijn zonderling werk: ,,Een reis op de maan’’ ; het kan tot tegenhanger strekken van ’t voorgaande. ,,Ik heb’’ zoo zegt Bergerac ,,al onderscheidende malen in de straten gevraagd hoe laat het was, maar ’t eenige antwoord dat ik ontving was, dat men den mond opende, de tanden op elkander sloot en het gezicht ter zijde draaide. — Hoe !  maar weet ge dan niet, dat ze u op die wijze den tijd aanwezen? —- Op mijn woord hernam ik zij konden goed hun grote neuzen ter zijde naar de zon toe wenden, maar ik begreep er niets van. —- Dat is een gemak waardoor zij een horloge kunnen ontberen ; want met hunne tanden vormen zij een zoo goede wijzerplaat, dat wanneer zij iemand op de hoogte van den tijd willen helpen, zij doodeenvoudig hunne lippen openen en de schaduw hunner neus die nu over hunne tanden valt, wijst zeer nauwkeurig datgene aan wat de vrager wenscht te weten.’’  Ziedaar iets voor hen, die door de natuur bedeeld zijn met een chronometrische neus van ferme lengte, een zonnewijzer nog gemakkelijker en beter dan die Chineesche kat ; de eerste ten minste heeft geen klauwen en toont alleen de tanden!

Uit: ’’De Horlogemaker’’ 1884